terzi_SIMON MAINAAFP via Getty Images_kenya afforestation SIMON MAINA/AFP via Getty Images

Groene ontwikkeling is nu de enige optie

BRUSSEL – In de aanloop naar de conferentie van de Verenigde Naties over klimaatverandering (COP27) in Sharm El-Sheikh heeft de energiecrisis van dit jaar het debat aangewakkerd over de vraag aan welk beleid de ontwikkelingslanden prioriteit moeten geven. Sommigen vinden dat arme landen zich moeten concentreren op ontwikkeling in plaats van op het koolstofarm maken van hun economie; anderen pleiten voor ʻgroene ontwikkeling,ʼ waarbij de ontwikkeling op basis van fossiele brandstoffen helemaal wordt overgeslagen.

Intussen schaffen rijke landen, multilaterale instellingen en grote geldschieters als China geleidelijk de ontwikkelingsfinanciering voor fossiele-brandstofprojecten af, zelfs nu ze hun eigen kolengestookte centrales heropenen. Wat moeten ontwikkelingslanden hiervan denken?

Om te profiteren van de hoge olie- en gasprijzen veilen sommige landen hun veengronden en regenwouden voor boringen en mijnbouw. Zonder er doekjes om te winden wees de belangrijkste klimaatvertegenwoordiger van de Democratische Republiek Congo er onlangs op dat de prioriteit van zijn land ligt bij het bereiken van sterkere groei, ʻniet bij het redden van de planeet.ʼ

Deze manier van het framen van de zaak is begrijpelijk, gezien het langdurige falen van de rijke wereld om haar beloften na te komen, en klimaatmitigatie en -adaptatie in het Mondiale Zuiden te helpen financieren. Maar de veronderstelde uitruil tussen economische ontwikkeling en groen beleid is niet overtuigend – of is in ieder geval onderhevig aan een hoge mate van kortetermijndenken.

Onderzoek na onderzoek heeft aangetoond dat de catastrofale gevolgen van een ongebreidelde klimaatverandering het eerst en het sterkst voelbaar zullen zijn in armere landen. (Op het moment dat ik dit schrijf, staat een derde van Pakistan onder water). Dit betekent dat er geen haalbaar toekomstscenario is waarin het Mondiale Zuiden fossiele brandstoffen kan gebruiken om aan de armoede te ontsnappen, om pas in een later stadium in koolstofarme technologie te gaan investeren. Dezelfde weg volgen die de rijke landen zijn ingeslagen, zal leiden tot een verwoesting van het klimaat. Net als iedereen moeten de arme landen zoveel mogelijk bijdragen aan de wereldwijde inspanningen om koolstofvrij te worden – niet om ʻde planeet te reddenʼ (die het ook zonder ons wel goed zal doen), maar om zichzelf te behoeden voor nóg ernstiger droogtes, overstromingen, hongersnoden en instabiliteit.

Bovendien berust het idee dat een sterk vervuilende economische groei voorrang moet krijgen op groene investeringen op de veronderstelling dat er in de toekomst een markt zal zijn voor sterk vervuilende goederen. Maar als we verder kijken dan de korte termijn, is het nu al duidelijk dat een combinatie van veranderende consumentenvoorkeuren, koolstofheffingen aan de grenzen, duurzaamheidsbepalingen in handelsverdragen, en diverse regelgevingsvereisten en etiketteringsnormen in rijke landen, vervuilingsintensieve opties tot een slechte investering zullen maken.

WINTER SALE: Save 40% on all new Digital or Digital Plus subscriptions
PS_Sales_Winter_1333x1000

WINTER SALE: Save 40% on all new Digital or Digital Plus subscriptions

Subscribe now to gain greater access to Project Syndicate – including every commentary and our entire On Point suite of subscriber-exclusive content – starting at just $49.99.

Subscribe Now

In deze waarschijnlijke toekomst zouden ontwikkelingslanden zich kunnen vastklampen aan producten en technologieën die de rest van de wereld als verouderd of inferieur beschouwt – of het nu gaat om onderdelen van verbrandingsmotoren, ʻfast fashionʼ-kleding, niet-recycleerbare kunststoffen, of fossiele brandstoffen.

Het is de moeite waard om in herinnering te brengen dat elk ʻontwikkelingswonderʼ sinds de jaren vijftig – of het nu het naoorlogse Japan, de Aziatische tijger-economieën, Indonesië of China betrof – werd aangejaagd door een snelle expansie van de uitvoer die bestemd was voor rijke, geïndustrialiseerde landen met een hoog verbruik. Landen die afhankelijk zijn van sterk vervuilende producten zullen een dergelijke kans niet krijgen. Sectoren waarvan daarentegen algemeen wordt verwacht dat ze de komende jaren een exponentiële groei zullen vertonen, zijn elektrische voertuigen (EVʼs), batterijen, en groene waterstof.

Sommigen zijn echter nog steeds niet overtuigd, op basis van de vaststelling dat de enige snelle economische groei in de geschiedenis van de mens werd aangedreven door fossiele brandstoffen. Maar dit is zoiets als aan het begin van de twintigste eeuw concluderen dat ʻhet niet waarschijnlijk is dat de mens ooit zonder het paard zal kunnen leven,ʼ en ervoor kiezen om zich te specialiseren in de technologie van paard en wagen. Wat in het verleden werkte, zal niet noodzakelijkerwijs ook in de toekomst werken.

Tenslotte gaat het uitruilverhaal ervan uit dat sterk vervuilende opties goedkoper zijn, terwijl groene technologieën een luxe zijn die alleen welvarende landen zich kunnen veroorloven. Maar zelfs als dit op dit moment waar is, zal die kloof snel kleiner worden; de groene optie zal binnenkort óók goedkoper zijn.

Dit is al het geval voor zonne- en windenergie in vele delen van de wereld, en EVʼs, vleesalternatieven en andere producten zullen zeker dezelfde weg volgen. Dankzij grote publieke en private investeringen – zoals die in het kader van de European Green Deal of de Amerikaanse Inflation Reduction Act – zal de daling van de kostencurve van groene technologieën versnellen, waardoor de kosten van de energietransitie wereldwijd zullen dalen en de ontwikkeling op basis van fossiele brandstoffen relatief duurder zal worden.

Sommige landen in het Mondiale Zuiden brengen deze beginselen al in de praktijk. Ethiopië bijvoorbeeld wil de status van middeninkomensland bereiken door een groene economie op te bouwen, met investeringen in (her-)bebossing, hernieuwbare energiebronnen en verbeterde vervoerssystemen. En ook Kenia is een pionier op het gebied van koolstofarme technologie geworden.

Zoals Ricardo Hausmann van de Harvard Universiteit opmerkt, is ʻgroene ontwikkelingʼ niet langer een oxymoron. Integendeel, het is de enige realistische optie. Om duurzame groei te verwezenlijken, moet elk land bepalen hoe het het best kan bijdragen aan de wereldwijde groene aanbodketen, op basis van zijn comparatieve voordelen. Deze kunnen liggen in het winnen van de grondstoffen die nodig zijn voor de groene transitie, het produceren en exporteren van hernieuwbare elektriciteit en waterstof, of het produceren van geavanceerde groene producten in eigen land.

Hoe dan ook zal de groei in de komende decennia groen zijn. Landen die nu niet meedoen, lopen het risico achterop te raken.

Vertaling: Menno Grootveld

https://prosyn.org/0MDG6tAnl