WASHINGTON, DC – Bijna iedereen is het erover eens dat de ongelijke verdeling van inkomen, rijkdom en kansen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (LAC) de opbouw van hechte samenlevingen en sterke democratieën heeft belemmerd en de ambities van jongeren heeft gefrustreerd. De inspanningen om de kloof tussen arm en rijk te dichten zijn echter mislukt en de vooruitgang is tot stilstand gekomen. Regeringen hebben dringend behoefte aan betere ideeën hoe ze dit al lang bestaande probleem kunnen oplossen.
Daarom is de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, samen met de London School of Economics, Yale University, het Institute for Fiscal Studies en wetenschappers van ruim een dozijn vooraanstaande universiteiten, een uitgebreid onderzoeksproject gestart naar de ongelijkheid in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied. Het eerste onderzoek van het project – waaronder kritische beoordelingen van de bestaande literatuur, nieuwe gegevens en nieuwe analyses – heeft al aangetoond dat de ongelijkheid in de regio niet zo voorspelbaar of statisch is als velen denken.
Om te beginnen is de ongelijkheid in het onderzoeksgebied niet uniform. Sommige landen, zoals Brazilië, Colombia, Guatemala, Honduras en Panama, hebben een extreem hoge inkomensongelijkheid, terwijl andere, zoals Bolivia, de Dominicaanse Republiek, El Salvador en Uruguay, inkomensverschillen kennen die vergelijkbaar zijn met die in de Verenigde Staten.
Bovendien is ongelijkheid geen vast kenmerk van de Latijns-Amerikaanse en Caribische samenlevingen, maar fluctueert ze in de loop der tijd. In de meeste landen begon de ongelijkheid snel te stijgen in de jaren zeventig, bereikte zij een piek in de jaren negentig en begon ze daarna te dalen. Vandaag is de ongelijkheid in de regio kleiner dan drie decennia geleden, dankzij de vooruitgang in het onderwijs (waardoor de loonkloof kleiner werd), de economische groei als gevolg van grondstoffen en een groot aantal sociale overheidsprogramma’s. Maar sinds 2014, toen de economie in de hele regio stagneerde, is de ongelijkheid in wezen op een onaanvaardbaar niveau blijven hangen.
Een onderzoek naar de ontwikkeling van de ongelijkheid van 1980 tot heden laat zien dat achter dit algemene patroon aanzienlijke verschillen schuilgaan. Zo hebben Bolivia, Brazilië, Chili en Peru de ongelijkheid tussen 1980 en 2010 aanzienlijk zien teruglopen, hoewel hun niveaus hoog blijven in vergelijking met andere landen in een soortgelijk ontwikkelingsstadium. In Costa Rica daarentegen is de ongelijkheid in deze periode gestaag toegenomen. De fatalistische veronderstelling dat de hele regio vervloekt is door structurele ongelijkheid die ongevoelig is voor beleidsinterventies moet worden losgelaten.
Het project heeft ook laten zien dat de ongelijkheid in rijkdom in de regio dieper geworteld lijkt te zijn dan de inkomensongelijkheid. Hoewel de gegevens nog vrij beperkt zijn, blijkt uit één onderzoek dat in Chili, Colombia en Uruguay ongeveer 1 procent van de bevolking 37 tot 40 procent van de totale rijkdom bezit, terwijl de armste helft van de bevolking slechts een tiende bezit. Bovendien hebben veel huishoudens met een laag inkomen een negatief eigen vermogen, omdat hun uitstaande schulden groter zijn dan de gecombineerde waarde van hun huis, voertuigen en andere bezittingen.
Access every new PS commentary, our entire On Point suite of subscriber-exclusive content – including Longer Reads, Insider Interviews, Big Picture/Big Question, and Say More – and the full PS archive.
Subscribe Now
Er is ook nieuw bewijs dat de kansen en het potentiële inkomen van kinderen in de regio vaak die van hun ouders weerspiegelen, wat een lage mate van mobiliteit tussen de generaties impliceert. Eén studie toont aan dat tussen de 44 procent (Argentinië) en 63 procent (Guatemala) van de huidige inkomensongelijkheid in negen Latijns-Amerikaanse en Caribische landen verklaard wordt door ‘erfelijke’ factoren. Variabelen die bijdragen aan het voortbestaan van de ongelijkheid tussen generaties zijn onder meer het geboren worden in een gebied met lage inkomens, het behoren tot een etnische minderheid en het hebben van ouders met een beperkte opleiding of een laagbetaald beroep. Maar ook hier is het beeld genuanceerder. In landen met een geschiedenis van slavernij of onderdrukking van inheemse volkeren voorspellen raciale of etnische factoren veel lagere niveaus van intergenerationele sociale mobiliteit.
Tot slot speelt ook de geografie een rol, maar niet altijd op een voorspelbare manier. Het feit dat 80 procent van de bevolking van Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied in steden woont, heeft bijvoorbeeld de veronderstelling versterkt dat de dynamiek op het platteland weinig invloed heeft op de inkomensongelijkheid in de regio. Maar nieuw bewijsmateriaal duidt erop dat verschillen in landbouwinkomen, die grotendeels te wijten zijn aan de lage arbeidsproductiviteit van kleine boerderijen, tussen de 11 procent (Uruguay) en 58 procent (Bolivia) van de totale inkomensongelijkheid in negen landen verklaren.
Tot dusver heeft het project bevestigd dat de ongelijkheid in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied onaanvaardbaar groot is, maar het heeft ook aangetoond dat de ongelijkheid fluïde is en gevoelig voor factoren die de mate waarin ze ‘erfelijk’ is, kunnen beïnvloeden. Gewapend met dit genuanceerde inzicht moeten beleidsmakers sommige benaderingen van het probleem loslaten, andere verfijnen en geheel nieuwe strategieën uitproberen die meer zijn toegesneden op de specifieke behoeften van hun land. Landen als Colombia en Peru bijvoorbeeld, waar veel werknemers informele contracten hebben en dus weinig of geen belasting betalen, hebben een ander beleid nodig voor hun belasting- en pensioenstelsels dan landen als Chili en Uruguay, waar een groter deel van de beroepsbevolking bijdraagt aan de pensioenen en de sociale zekerheid.
Hoewel traditionele strategieën zoals het uitbreiden en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en het bieden van geldelijke steun aan huishoudens met een laag inkomen effectief kunnen zijn, schieten ze tekort om de ongelijkheid onder alle omstandigheden te verminderen. Om dat te bereiken, moeten de regeringen van Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied economische groei bevorderen die meer productieve (en formele) banen kan genereren en een nieuwe generatie begrotingsbeleid bewerkstelligen dat iedereen een plaats aan tafel geeft.
To have unlimited access to our content including in-depth commentaries, book reviews, exclusive interviews, PS OnPoint and PS The Big Picture, please subscribe
Donald Trump’s attempt to reindustrialize the US economy by eliminating trade deficits will undoubtedly cause pain and disruption on a massive scale. But it is important to remember that both major US political parties have abandoned free trade in pursuit of similar goals.
argues that America’s protectionist policies reflect a global economic reordering that was already underway.
Donald Trump and Elon Musk's reign of disruption is crippling research universities’ ability to serve as productive partners in innovation, thus threatening the very system that they purport to celebrate. The Chinese, who are increasingly becoming frontier innovators in their own right, will be forever grateful.
warns that the pillars of US dynamism and competitiveness are being systematically toppled.
WASHINGTON, DC – Bijna iedereen is het erover eens dat de ongelijke verdeling van inkomen, rijkdom en kansen in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (LAC) de opbouw van hechte samenlevingen en sterke democratieën heeft belemmerd en de ambities van jongeren heeft gefrustreerd. De inspanningen om de kloof tussen arm en rijk te dichten zijn echter mislukt en de vooruitgang is tot stilstand gekomen. Regeringen hebben dringend behoefte aan betere ideeën hoe ze dit al lang bestaande probleem kunnen oplossen.
Daarom is de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, samen met de London School of Economics, Yale University, het Institute for Fiscal Studies en wetenschappers van ruim een dozijn vooraanstaande universiteiten, een uitgebreid onderzoeksproject gestart naar de ongelijkheid in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied. Het eerste onderzoek van het project – waaronder kritische beoordelingen van de bestaande literatuur, nieuwe gegevens en nieuwe analyses – heeft al aangetoond dat de ongelijkheid in de regio niet zo voorspelbaar of statisch is als velen denken.
Om te beginnen is de ongelijkheid in het onderzoeksgebied niet uniform. Sommige landen, zoals Brazilië, Colombia, Guatemala, Honduras en Panama, hebben een extreem hoge inkomensongelijkheid, terwijl andere, zoals Bolivia, de Dominicaanse Republiek, El Salvador en Uruguay, inkomensverschillen kennen die vergelijkbaar zijn met die in de Verenigde Staten.
Bovendien is ongelijkheid geen vast kenmerk van de Latijns-Amerikaanse en Caribische samenlevingen, maar fluctueert ze in de loop der tijd. In de meeste landen begon de ongelijkheid snel te stijgen in de jaren zeventig, bereikte zij een piek in de jaren negentig en begon ze daarna te dalen. Vandaag is de ongelijkheid in de regio kleiner dan drie decennia geleden, dankzij de vooruitgang in het onderwijs (waardoor de loonkloof kleiner werd), de economische groei als gevolg van grondstoffen en een groot aantal sociale overheidsprogramma’s. Maar sinds 2014, toen de economie in de hele regio stagneerde, is de ongelijkheid in wezen op een onaanvaardbaar niveau blijven hangen.
Een onderzoek naar de ontwikkeling van de ongelijkheid van 1980 tot heden laat zien dat achter dit algemene patroon aanzienlijke verschillen schuilgaan. Zo hebben Bolivia, Brazilië, Chili en Peru de ongelijkheid tussen 1980 en 2010 aanzienlijk zien teruglopen, hoewel hun niveaus hoog blijven in vergelijking met andere landen in een soortgelijk ontwikkelingsstadium. In Costa Rica daarentegen is de ongelijkheid in deze periode gestaag toegenomen. De fatalistische veronderstelling dat de hele regio vervloekt is door structurele ongelijkheid die ongevoelig is voor beleidsinterventies moet worden losgelaten.
Het project heeft ook laten zien dat de ongelijkheid in rijkdom in de regio dieper geworteld lijkt te zijn dan de inkomensongelijkheid. Hoewel de gegevens nog vrij beperkt zijn, blijkt uit één onderzoek dat in Chili, Colombia en Uruguay ongeveer 1 procent van de bevolking 37 tot 40 procent van de totale rijkdom bezit, terwijl de armste helft van de bevolking slechts een tiende bezit. Bovendien hebben veel huishoudens met een laag inkomen een negatief eigen vermogen, omdat hun uitstaande schulden groter zijn dan de gecombineerde waarde van hun huis, voertuigen en andere bezittingen.
Introductory Offer: Save 30% on PS Digital
Access every new PS commentary, our entire On Point suite of subscriber-exclusive content – including Longer Reads, Insider Interviews, Big Picture/Big Question, and Say More – and the full PS archive.
Subscribe Now
Er is ook nieuw bewijs dat de kansen en het potentiële inkomen van kinderen in de regio vaak die van hun ouders weerspiegelen, wat een lage mate van mobiliteit tussen de generaties impliceert. Eén studie toont aan dat tussen de 44 procent (Argentinië) en 63 procent (Guatemala) van de huidige inkomensongelijkheid in negen Latijns-Amerikaanse en Caribische landen verklaard wordt door ‘erfelijke’ factoren. Variabelen die bijdragen aan het voortbestaan van de ongelijkheid tussen generaties zijn onder meer het geboren worden in een gebied met lage inkomens, het behoren tot een etnische minderheid en het hebben van ouders met een beperkte opleiding of een laagbetaald beroep. Maar ook hier is het beeld genuanceerder. In landen met een geschiedenis van slavernij of onderdrukking van inheemse volkeren voorspellen raciale of etnische factoren veel lagere niveaus van intergenerationele sociale mobiliteit.
Tot slot speelt ook de geografie een rol, maar niet altijd op een voorspelbare manier. Het feit dat 80 procent van de bevolking van Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied in steden woont, heeft bijvoorbeeld de veronderstelling versterkt dat de dynamiek op het platteland weinig invloed heeft op de inkomensongelijkheid in de regio. Maar nieuw bewijsmateriaal duidt erop dat verschillen in landbouwinkomen, die grotendeels te wijten zijn aan de lage arbeidsproductiviteit van kleine boerderijen, tussen de 11 procent (Uruguay) en 58 procent (Bolivia) van de totale inkomensongelijkheid in negen landen verklaren.
Tot dusver heeft het project bevestigd dat de ongelijkheid in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied onaanvaardbaar groot is, maar het heeft ook aangetoond dat de ongelijkheid fluïde is en gevoelig voor factoren die de mate waarin ze ‘erfelijk’ is, kunnen beïnvloeden. Gewapend met dit genuanceerde inzicht moeten beleidsmakers sommige benaderingen van het probleem loslaten, andere verfijnen en geheel nieuwe strategieën uitproberen die meer zijn toegesneden op de specifieke behoeften van hun land. Landen als Colombia en Peru bijvoorbeeld, waar veel werknemers informele contracten hebben en dus weinig of geen belasting betalen, hebben een ander beleid nodig voor hun belasting- en pensioenstelsels dan landen als Chili en Uruguay, waar een groter deel van de beroepsbevolking bijdraagt aan de pensioenen en de sociale zekerheid.
Hoewel traditionele strategieën zoals het uitbreiden en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en het bieden van geldelijke steun aan huishoudens met een laag inkomen effectief kunnen zijn, schieten ze tekort om de ongelijkheid onder alle omstandigheden te verminderen. Om dat te bereiken, moeten de regeringen van Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied economische groei bevorderen die meer productieve (en formele) banen kan genereren en een nieuwe generatie begrotingsbeleid bewerkstelligen dat iedereen een plaats aan tafel geeft.
Vertaling: Menno Grootveld