nkhan1_Allison JoyceGetty Images_bangladesh Allison Joyce/Getty Images

Verlies en schade als gemeenschappelijk doel

BALTIMORE – Nu het begin van de conferentie van de Verenigde Naties over klimaatverandering (COP28) van dit jaar nadert, blijven degenen die de conferentie moeten leiden inspireren tot bezorgdheid en zelfs verontwaardiging. De Verenigde Arabische Emiraten, een van ’s werelds grootste olieproducerende landen, is immers gastheer en het hoofd van het staatsbedrijf Abu Dhabi National Oil Company, Sultan Al Jaber, zal de conferentie leiden. Maar is dat echt zo slecht?

Het Midden-Oosten is niet bepaald de klimaatkampioen van onze tijd. Regionale leiders hebben van oudsher aan de klimaatwetenschap getwijfeld en dikwijls geweigerd om armere landen te helpen die lijden onder klimaatgerelateerde schade. Maar het is de rol van Al Jaber zelf die het meest controversieel is. Zoals de Amerikaanse afgevaardigde Ro Khanna het verwoordde, is het hoofd van een nationale oliemaatschappij als voorzitter van een klimaatconferentie een ‘klap in het gezicht van jonge klimaatactivisten.’

Dit verklaart waarom eerder dit jaar ruim honderddertig leden van het Amerikaanse Congres en het Europees Parlement een brief ondertekenden waarin ze opriepen tot zijn ontslag. Maar terwijl de ontwikkelde wereld de benoeming van Al Jaber grotendeels afwijst, steunen veel ontwikkelingslanden de benoeming openlijk.

De door de VN gesponsorde wereldwijde klimaatonderhandelingen zijn bedoeld om landen – zowel vrienden als rivalen – met elkaar in gesprek te houden en ervoor te zorgen dat ze zich ervan bewust blijven dat we, ondanks onze verschillen, allemaal een planeet delen. Hoewel ze worden gedomineerd door de actoren die je zou verwachten – ontwikkelde landen zoals de Verenigde Staten en opkomende machten zoals China – zijn ze ook een van de zeldzame multilaterale fora waar vragen over historische verantwoordelijkheid aan de orde kunnen worden gesteld.

Het is zeker zo dat de geavanceerde economieën tijdens de COP’s niet echt stilstaan bij hun erfenis van gewelddadig en extractief kolonialisme, ook al heeft die geschiedenis hun industrialisatie en alle bijbehorende broeikasgasemissies rechtstreeks mogelijk gemaakt. Maar tot op zekere hoogte erkennen ze wel hun onevenredige bijdrage aan de klimaatverandering. Ondertussen krijgen kleinere, armere landen een soort moreel gezag en vaak ook de kans om een grotere politieke stem te laten horen dan ze elders hebben.

Mijn land, Bangladesh, is hier een goed voorbeeld van. De afgelopen jaren is Bangladesh geteisterd door zware cyclonen en overstromingen, die alleen maar erger zullen worden naarmate de zeespiegel stijgt. En toch is het land verantwoordelijk voor slechts 0,4 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.

Subscribe to PS Digital
PS_Digital_1333x1000_Intro-Offer1

Subscribe to PS Digital

Access every new PS commentary, our entire On Point suite of subscriber-exclusive content – including Longer Reads, Insider Interviews, Big Picture/Big Question, and Say More – and the full PS archive.

Subscribe Now

Talloze goedbedoelende academici en activisten hebben deze onbalans onderstreept, maar vaak op simplistische en niet-constructieve manieren. Ik herinner me nog goed hoe ik met afgrijzen toekeek toen een westerse klimaatwetenschapper tijdens een conferentie aan de universiteit van Oregon in 2015 beschreef hoe de gevolgen van klimaatverandering in de praktijk zouden uitpakken – en dan vooral de verschrikkingen die kwetsbare landen te wachten stonden. Toen ze Bangladesh ter sprake bracht, begon ze te snikken terwijl ze haar wanhopige vraag herhaalde: ‘Wat hebben ze gedaan om dit te verdienen?’ Hoofden draaiden in mijn richting – ik was de enige Bangladeshi op de conferentie – maar ik kon alleen maar onderuitgezakt op mijn stoel zitten, doorboord door een lans van medelijden en liberaal schuldgevoel.

Als antropoloog die al bijna tien jaar COP’s bestudeert, heb ik ontwikkelingslanden de klimaatonderhandelingen op verrassende en creatieve manieren zien benaderen. En ik kan je verzekeren dat Bangladesh niet zo ongelukkig is als dat panellid suggereerde. Zoals de socioloog Kasia Paprocki heeft opgemerkt, heeft het zeer marktvriendelijke Bangladesh de aanpassing aan de klimaatverandering omgezet in een economische kans. Evenzo heeft de antropoloog Jason Cons erop gewezen dat Bangladesh erin is geslaagd het tegenstrijdige beeld te cultiveren van een land dat als gevolg van de klimaatverandering op de rand van de afgrond staat én een land dat overspoeld wordt door economische kansen.

Tijdens de COP’s heeft Bangladesh zich onderscheiden als leider op het gebied van verlies en schade. Hoewel het emotionele theater onnodig is, moeten we herhalen dat in landen als Bangladesh mensen nu al hun huizen, bestaansmiddelen en levens verliezen door de gevolgen van de klimaatverandering. Zelfs als de wereld de uitstoot nu snel gaat verminderen, zullen deze verliezen niet ongedaan kunnen worden gemaakt.

Verlies en schade maken de ontwikkelde landen nerveus. Als ze erkennen dat de klimaatverandering niet volledig kan worden beperkt en dat er grenzen zijn aan de aanpassing van mensen en ecosystemen, zou de volgende logische stap wel eens kunnen zijn dat we op zoek gaan naar wettelijke middelen om hen onder druk te zetten om veel meer te betalen ter compensatie van landen die kwetsbaar zijn voor het klimaat.

Bangladesh onderkende dit en koos aanvankelijk voor een diplomatieke benadering van de kwestie van verlies en schade: in plaats van de ontwikkelde economieën te dwingen om de aansprakelijkheid op zich te nemen, pleitte het land voor de bescherming van klimaatvluchtelingen, zoals een hervestigingsbeleid of een agentschap voor de coördinatie van vluchtelingen. Een afgevaardigde uit Bangladesh was betrokken bij de oprichting van het Warsaw Mechanism on Loss and Damage in 2013, en stemmen uit Bangladesh droegen bij aan de overeenkomst om een Loss and Damage Fund op te richten tijdens de COP van vorig jaar.

Bangladesh is ook lid van de club van Like-Minded Developing Countries (LMDC, gelijkgestemde ontwikkelingslanden), die in 2012 is opgericht om de behoeften en belangen van het Mondiale Zuiden op de COP-agenda te houden. Niet alle leden van de LMDC, van Pakistan tot China, hebben het morele gezag van Bangladesh als het gaat om klimaatverandering. Saoedi-Arabië horen meepraten over historische emissies of schuldenproblemen is bijvoorbeeld een beetje raar. Maar rijkere landen uit het Midden-Oosten geven de zaak van de LMDC een zeker retorisch en politiek gewicht. Dit zou kunnen verklaren waarom zoveel armere landen, waaronder Bangladesh, hun steun uitspreken voor een COP-gastheer die oliemaatschappijen het hof blijft maken terwijl hij pleit voor groene energie.

In die zin loopt het leiderschap van de VAE en Al Jaber misschien toch niet uit de pas met de doelen van jonge klimaatactivisten. Integendeel, de toekomst die deze activisten willen vermijden is nu al realiteit voor landen als Bangladesh. Effectieve actie op het gebied van verlies en schade vandaag – de actie waar het Mondiale Zuiden voor vecht – zou dus in ieders belang zijn. Elke poging van de VAE om hun positie te gebruiken om vooruitgang te boeken op dit front moet worden verwelkomd.

Vertaling: Menno Grootveld

https://prosyn.org/g6o9Ysfnl